'De' Nederlander: "Tegen gewone moslims heb ik niks, tegen extremistische wel"

20 mei 2007    Lees de reacties   

De Amsterdamse sociaal-psychologe Christine Carabain promoveerde in mei 2007 aan de VU op het thema ‘Vragenlijstonderzoek naar etnische attitudes: De invloed van het type interview’. Concreet onderzocht Carabain daartoe een groot aantal traditionele opiniepeilingen naar opvattingen van ‘de’ Nederlander over moslims.

“Traditioneel opinie-onderzoek schept een ongenuanceerd beeld van de mening van Nederlanders over Moslims. Dit blijkt uit het promotie-onderzoek van Christine Carabain. Tijdens traditioneel opinie-onderzoek naar de mening van Nederlanders over Moslims wordt in het algemeen aan respondenten gevraagd of zij het eens zijn met stellingen zoals verreweg de meeste Moslims willen zich aanpassen aan de Nederlandse samenleving . Ondervraagden zijn volgens Carabain bij dit type vraagstelling niet in staat om te nuanceren en lossen dit probleem op door te kiezen voor een neutraal antwoord. De ondervraagden kiezen dus voor de gulden middenweg, wanneer zij een positieve mening hebben van een deel van de Islamitische bevolking en een negatieve mening hebben over een ander deel van de Islamitische bevolking in Nederland. Dit gemiddelde wordt dan geprojecteerd op alle Moslims. Tijdens het promotie-onderzoek van Carabain werden respondenten ook open vragen gesteld naar hun mening over Moslims. Uit de antwoorden op deze vragen bleek dat wanneer onderzoekers de ondervraagden een kans gaven hun antwoorden te nuanceren de meerderheid van de ondervraagden deze kans met beide handen grijpt. De overgrote meerderheid van de ondervraagden maakten bij het beantwoorden van open vragen een systematisch onderscheid tussen hun mening over Moslim extremisten en hun mening over gematigde Moslims.”

Carabain’s conclusie luidt dat de uitkomsten van dit type gesloten-vragen-enquêtes altijd minder genuanceerd, extremer zijn dan de werkelijke opvattingen. Die blijken in de praktijk veel genuanceerder. Veel opinie-onderzoek geeft zo een verkeerd beeld van de mening over moslims, stelt Christine Carabain in Intermediair:

“Het begrip moslim verwijst voor veel mensen naar twee verschillende groepen: moslims die geïntegreerd zijn in de samenleving en tegen wie ze vaak positief aankijken, maar ook naar moslimextremisten voor wie ze bang zijn.’ Bij vragen als ‘hoe denkt u over moslims?’ nemen mensen een soort gemiddelde van de twee beelden die ze in hun hoofd hebben en dat is ­ vanwege hun afkeer van de extremistische groep ­ dus enigszins negatief. En wat koppen de kranten de volgende dag dan, klaagt Carabain: ‘Grootste deel Nederlanders anti-moslim’.”

Onderzoeksbureaus kunnen hun werkwijze verbeteren door voorafgaand hun vraagstelling te toetsen. Carabain deed dat, aldus Intermediair, voor haar promotieonderzoek…

”...en ontdekte al na een paar van zulke korte gesprekjes dat mensen zeggen: tegen gewone moslims heb ik niks, tegen extremistische wel.”

Saillant detail, vermeldt de website van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen nog over Carabain’s promotieonderzoek:

”...vond plaats in de maanden direct na de moord op cineast Theo van Gogh op 2 november 2004 door Moslim extremist Mohammed Bouyeri. De dader werd door de ondervraagden niet als representatief gezien voor de Islamitische bevolking in Nederland, maar als vertegenwoordiger van een kleine groep radicale moslims.”


– - –

Zie ook een bespreking op Wereldjournalisten: Opinie-onderzoeken onderzocht van Paul Brassé.

Klik hier voor het onderzoek van Carabain Teveel voor lief nemen? (Nederlandse samenvatting vanaf pagina 153).



Reacties

Op dit artikel kan niet gereageerd worden.